Oerwoudgeluiden

Christophe Vekeman
zaterdag 8 mei 2021 om 3.25 uur
Artwork

Hoe gaan die dingen? Je leest een column van Dewulf, hoort Bart Stouten op de radio, bladert nog eens in een boek van Bouazza of Caro Van Thuyne en stelt eens te meer genoeglijk vast: het is een mooie taal waarin wij leven, dag na dag, gedachte na gedachte, een schítterende taal is het, dat Nederlands van ons. Een seconde later reeds, echter, kan het gebeuren dat een neiging tot mistroostig hoofdschudden zowaar en ongevraagd de kop opsteekt, en wordt het je van de weeromstuit opeens maar wankel te moede. Hoelang zal een volk, knarsetand je nu, dat te lui, daas, onaandachtzaam en lamlendig is om zoiets eenvoudigs als de dt-regel onder de knie te krijgen dat prachtige Nederlands nog verdienen? Hoelang kun je hooghartigweg je woonst verwaarlozen voordat zij bulderend instort en elkeen aanwezig bedelft onder het puin?

Het dedain ten aanzien van de taal beperkt zich trouwens niet alleen tot spelling en grammatica (hoe zou dat ook kunnen?), maar komt zelfs brutaal tot uiting in het soort woordgebruik waar nochtans diep over nagedacht lijkt te zijn. De term 'oerwoudgeluiden', bijvoorbeeld, slaat de bal volledig mis.

Begrijp me niet verkeerd: weinig woorden hebben het in zich zozeer tot mijn verbeelding te spreken als juist 'oerwoud', en de bijbehorende geluiden vormden tot voor kort dan ook de soundtrack van mijn allerzoetste dromen. Dat is voorgoed verleden tijd, helaas: oerwoudgeluiden zijn inmiddels onlosmakelijk verbonden geraakt met racistisch rapaille op voetbaltribunes. Met name de kreten die sommige supporters aan hun borst ontlokken in de hoop op die manier zwarte spelers van hun stuk te brengen, worden vandaag consequent zo genoemd.

Waarom verslaggevers dat doen, en wat ervan juist de bedoeling is, blijft daarbij de vraag nog maar, zeker als je rekent dat een eufemisme steevast vergoelijkend werkt. Wanneer iemand zijn buur de schedel inslaat met een ouwe ploertendoder, beperkt men zich toch evenmin tot zeggen dat hij zijn geduld verloren heeft en zwaar uit zijn krammen is geschoten? En aangaande een serieverkrachter alleen maar vagelijk beweren dat hij de gewoonte heeft vrouwen lastig te vallen, is uiteraard buitengewoon verwerpelijk en raar. Maar waarom dan ook in dit geval niet heel concreet de dingen aangeduid? Waarom een prachtwoord verspillen aan tuig van de richel dat al met al geen oerwoudgeluiden pleegt te maken, nee, geen kaketoeklanken ten gehore brengt, bijvoorbeeld, noch het druisen van de regen in het Amazonebos nabootst, maar daarentegen week na week zichzelf te kijk zet als wat het nu eenmaal is: een hoop primaten bij elkaar met een tweekleurige sjaal om de nek? Wanneer debielen ertoe overgaan bananen richting Lukaku te gooien, hebben wij het toch ook niet, uit een soort misplaatst mededogen met de daders, die het misschien wel, als het ware, niet zo slecht bedoelen als wij durven te denken, over 'vruchten' of 'vers fruit'? Het zijn immers, laten we eerlijk wezen, niet toevallig bananen in plaats van, zeg, jonagolds.

Sommige zaken zijn te erg om er doekjes om te winden, en de makers van FC United bleken dat van de week heel goed begrepen te hebben: de eerste aflevering van de driedelige Canvasreeks over racisme in het Belgische voetbal begon met een koude, harde, specifieke opsomming van wat zwarte spelers zoal naar het hoofd geslingerd krijgen op het veld. 'Bananenvreter', 'zwette', 'zwetzak', 'vuile zwarte', 'zoeloe', 'zwarte piet', 'makaak' en 'terrorist', luidden de scheldetiketten in kwestie, wat nog maar eens bewees dat beperktheid van taal en geestelijke armoe altijd samengaan. Maar vooral viel op hoe doeltreffend het was om de betreffende wanwoorden op televisie klaar en duidelijk te horen uitspreken en ze bovendien tezelfdertijd te zien geschreven staan dankzij de ondertiteling: ook de slechte verstaander kon er niet aan ontsnappen en werd er gedurende een paar momenten meedogenloos mee om de oren geslagen. De waarheid kwetste bijgevolg, maar het was een pijn waarvan je wist, als kijker, dat die noodzakelijk was, zeker in een tijd als deze, waarin taal alsmaar meer geofferd wordt op het altaar van wat soms gevoeligheid heet, maar in wezen alleen maar hypocrisie is, en lafheid en wegkijkerij. De kwetsende, pijnlijke waarheid die ons in het gezicht gespat kwam, is dat racisten nooit ofte nimmer het zogenaamde 'n-woord' in de mond nemen, maar zich nog van hun vriendelijkste kant tonen als zij het over 'negers' hebben. De waarheid is dat sommige supporters in de marge van de voetbalmat geen oerwoudklanken voortbrengen, maar wel degelijk apengeluiden maken.

Waarom toch onze taal en woordenschat kruiperig laten dansen naar de pijpen van lui die amper hun eigen naam kunnen schrijven? Waarom racisten uit de wind zetten? Alleen het zo direct en scherp mogelijk benoemen van hun woorden en hun daden kan maken dat de bananen die zij gooien als een boemerang tegen hun smoelen zullen terugkeren.

Christophe Vekeman is auteur. In deze rubriek wikt hij de wereld.
Verschenen op zaterdag 8 mei 2021